|
Intro
Verhalen
Fragment
Medewerkers

|
De
muntschat
Stad Groningen, 1514
Fedde speurde voor de zoveelste keer het donkere Botterdiepaf. De nacht liep op zijn einde en nog steeds was er geen spoor van de Friezen
te bekennen. ‘Waar blijven ze, verdomme?’
Hij trok de slippen van zijn muts omhoog, zodat zijn oren
niet langer bedekt waren. Maar nog steeds hoorde hij niets. De Friezen waren in
geen velden of wegen te bekennen. Met een zucht liet hij de stukken stof weer
over zijn oren vallen. Onbetrouwbaar volk!
Hij zette de stenen kruik die hij al de hele nacht meezeulde
tegen zijn lippen en nam de laatste slok verschaald bier. Het bier in de kroeg
van Bedum had een stuk beter gesmaakt! Hij likte zijn lippen af bij de
herinnering.
De kroeg had stampvol gezeten. Toch was het niet moeilijk
geweest om de groep huurlingen van George van Saksen uit de andere mannen te
pikken. Bulderend van het lachen hingen ze sterke verhalen op, hun littekens
tonend aan iedereen die het maar wilde zien.
Fedde was aan de tafel naast die van de mannen gaan zitten
en had een aantal kruiken bier besteld om zichzelf moed in te drinken. Zijn
plan was vernuftig, hij wist alleen niet hoe hij moest beginnen. De leider van
de Friese huurlingen zag er grimmig uit. Een pokdalig gezicht met een woeste
snor en baard, en een grijns waar Fedde de rillingen van kreeg.
Maar na voldoende bier leek de leider er een stuk welwillender
uit te zien en durfde Fedde zich in het gesprek te mengen. ‘Ik kan jullie de
stadspoort van Groningen binnen helpen,’ zei hij na nog een aantal kruiken
bier.
Op slag werd de luidruchtige groep stil en boog de leider
van de huurlingen zich naar hem toe. ‘Wat bedoel je?’
Fedde nam een diepe teug adem. ‘Ik heb informatie waarmee ik
jullie zonder problemen de stad in kan loodsen.’
De leider greep hem bij zijn schouder vast. ‘Vertel!’ Zijn
donkere ogen glinsterden vervaarlijk.
Fedde slikte de brok weg die in zijn keel zat. Mijn plan is
goed, sprak hij zichzelf toe. Kalm blijven. ‘Goede informatie heeft zijn
prijs,’ zei hij. Zijn stem klonk schor.
De vingers van de leider leken zijn schouder te doorboren,
maar hij gaf geen krimp. ‘Ik weet zeker dat er genoeg mannen in de omgeving
zijn die mij rijkelijk willen betalen voor deze informatie. Dit is de kans voor
het leger van George van Saksen om een beslissende slag te slaan.’ Al zes jaar
belegerde George – de Plukker – van Saksen het Groningen van Edsard van Oost-Friesland.
Tot nu toe had het stadse leger, aangevuld met huurlingen uit Friesland,
Groningen en Drenthe, Van Saksen buiten de stad weten te houden. Maar hij rukte
steeds verder op. De omgeving was bezaaid met soldaten uit Overijssel en
Gelderland die voor de Plukker vochten. Ook al deden de vier burgemeesters van
Groningen hun uiterste best om iedereen die maar wilde vechten voor geld naar
de stad te krijgen, het zou niet lang meer duren voordat Groningen in Friese
handen was.
‘Noem je prijs,’ zei de leider.
Fedde rechtte zijn schouders. ‘Vijf goudstukken.’
‘Je krijgt er twee, en dan mag die informatie wel heel erg
waardevol zijn,’ zei de leider.
‘Dat is het, dat verzeker ik je.’
De leider toverde een zak met muntstukken op tafel, telde
twee goudstukken uit en hield ze voor Feddes neus. ‘Ik hoef je niet te
vertellen wat er met je gebeurt als je met nutteloze informatie komt…’
Fedde schudde zijn hoofd. Ondanks het bier kon hij zich daar
een goede voorstelling van maken. De goudstukken blonken in het beetje zonlicht
dat door de vettige ramen van de kroeg wist door te dringen.
‘Luister,’ zei hij en boog zich voorover. ‘De burgemeester
van Groningen heeft een groepje Friese huurlingen betaald om aan Groningse
zijde te vechten.’
De huurlingen vloekten en Fedde wachtte tot ze bedaard
waren. ‘Deze huurlingen komen morgenochtend aan bij de stadspoort. Ik heb met
de stadscommandant afgesproken dat ik die groep zal opwachten en ze de stad
binnen zal leiden.’ Fedde griste de twee goudstukken uit de hand van de Friese
huurling.
De leider toonde zijn vergeelde tanden in een poging tot een
glimlach. ‘En jij bent bereid om ons in hun plaats naar binnen te loodsen?’
‘Voor vijf goudstukken help ik jullie Groningen binnen. Vijf
guldens, anders gaat het feest niet door.’
‘Gore oplichter, vuile verrader, slinkse rat,’ vloekte de
leider.
Fedde trok zijn wenkbrauwen op en wachtte. Met bezwete
handpalmen.
Uiteindelijk spoog de leider in zijn hand en stak hem toe.
‘Vertel maar hoe en waar.’
‘Kom vannacht voor het ochtendgloren naar de noordoostzijde
van de stad. Jullie kunnen met platte schuiten van hier over het diep varen. Ik
wacht daar bij de vuilstortplaats. Zodra het licht wordt, zal ik jullie de stad
binnenloodsen.’
De leider had hem op zijn schouder geklopt en een rondje gegeven
op de val van Groningen.
Alles leek in kannen en kruiken. Maar nu twijfelde Fedde.
Hij had het gevoel dat hij al uren langs de oever heen en weer liep.
Stomdronken was hij thuisgekomen, maar hij wist zeker dat hij duidelijke
afspraken had gemaakt. Hier, vannacht, vijf goudstukken.
Nogmaals zette hij de stenen kruik aan zijn lippen en gooide
zijn hoofd achterover. Geen druppel meer. Het zat niet mee.
Het water klotste tegen de oever en Fedde spitste zijn oren.
Hoorde hij Fries gemompel in de verte? Ja! Hij kneep zijn ogen tot spleetjes,
maar zag nog niets. Snel liep hij in de richting van het geluid. ‘Eindelijk,’
zei hij met een diepe zucht. In het zachte sterrenlicht bespeurde hij vier
platte schuiten.
Niet veel later lagen de schuiten aangemeerd en stonden de
Friese huurlingen op de oever.
‘Ik ben blij dat jullie er zijn. Volg mij. We wachten nog
even tot het licht is, dan leid ik jullie de stad binnen. Alleen slecht volk
staat in het donker aan de stadspoort,’ zei Fedde.
De leider van de huurlingen knikte slechts. 's Nachts was
hij een stuk minder spraakzaam dan overdag. Hij leek ook minder woest.
Fedde haalde zijn schouders op. Hij had gisteren dusdanig
veel gedronken dat hij het niet helemaal scherp meer zag. En in het
sterrenlicht kon hij nog geen haas van een konijn onderscheiden.
Resoluut ging hij de huurlingen voor. Hoe dichter ze bij de
vuilstort kwamen, hoe penetranter de geur werd. Fedde probeerde oppervlakkig te
ademen. De stank was werkelijk ondraaglijk. Achter hem hoorde hij de leider naar
adem snakken. De Fries trok hem aan zijn mouw. Fedde hield zijn pas in tot de
leider naast hem stond.
‘Naar wat voor stinkende hel leid je ons?’
‘Welkom op de vuilstortplaats van de stad Groningen,’ zei
Fedde grinnikend. Ondanks het donker van de nacht, kon hij zien dat de Fries er
niets grappigs aan vond. Zijn ogen leken donkere kolen die ieder moment konden
ontvlammen.
‘Pas op dat je niet in de kuilen van de leerlooiers stapt,’
ging Fedde fluisterend verder. ‘Die zitten vol pis.’
De leider gromde. ‘Vuile Vetkopers.’
Fedde negeerde die opmerking. ‘Laten we hier wachten tot het
licht is,’ stelde hij voor.
De leider keerde zijn rug naar Fedde toe en fluisterde tegen
de soldaat achter hem: ‘Laat iedereen een zakdoek voor zijn neus en mond knopen
tegen de stank. We wachten hier.’ De mededeling werd met gesteun en gekreun
ontvangen.
Fedde onderdrukte een glimlach. De vuilstortplaats was
precies de plek waar die smerige Schieringers thuishoorden. Hij maakte het zich
gemakkelijk, voorzover dat ging.
In de verte schenen een paar lichtpunten, het grootste
gedeelte van de stad was in duister en rust gehuld. De brave burgers van
Groningen waren onwetend van de groep boosaardige Friezen die zich net buiten
de poorten tussen het afval ophield.
Hij mijmerde over wat hij zou doen met zijn beloning. Daar
kon hij een halfjaar zorgeloos van leven. Of zichzelf de kleren van een edelman
aan laten meten. Of…
Fedde concentreerde zich op de met sterren bezaaide hemel.
Begon de nacht al wat lichter te kleuren?
Toen hij er zeker van was dat de zonsopkomst aanstaande was
zocht hij de leider op, die met zijn mannen op een afstand zat te wachten. ‘Ik
ga richting de stadspoort. Even een praatje maken met de wacht en zeggen dat ik
er met jullie aan kom. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat ze schrikken. Ik
ben zo terug.’
‘Uffo, ga met hem mee,’ commandeerde de leider.
‘Alles om uit deze stank te ontsnappen,’ zei de jonge
soldaat tegen wie gesproken was.
Fedde haalde nauwelijks zichtbaar zijn schouders op. Dit was
niet afgesproken, maar zou ook geen onoverkomelijk problemen veroorzaken. ‘Volg
mij.’
Ze laveerden door de hopen afval, tussen de indringend
riekende kuilen door. Ze passeerden de steenmarkt en liepen over de dam tussen
de stadsgrachten in de richting van de Ebbingepoort. De twee eiken deuren van
de buitenpoort waren gesloten. Aan beide zijden van de poort strekte zich de
steile stadswal uit, meer dan drie manslengtes hoog, waarboven meidoorns
groeiden. Tot nu toe had het Bolwerk de Friezen buiten weten te houden.
Op de wal onderscheidde Fedde een groep schimmen. Opgelucht
ontspande hij zijn spieren. Alles liep volgens plan. Een kleine deur in de
poort werd geopend en Fedde en de Friese soldaat werden binnengelaten door de
wacht. Achter hen werd de poort direct gesloten, zodat ze buiten het zicht
waren van de huurlingen aan het Botterdiep.
Fedde draaide zich om en stond oog in oog met de Friese
soldaat die met hem was meegestuurd. Voordat die zijn mond kon openen om iets
te zeggen, haalde Fedde zijn tweehander uit de schede. Uffo hief zijn schild,
maar was te laat. Met een doffe klap kwam het gevest van Feddes zwaard op het
hoofd van de soldaat terecht. Uffo zakte bijna geruisloos op de grond. De
poortwachter week achteruit, onzeker wat er aan de hand was.
Fedde wenkte de schimmige
Groningers achter de poort. Een donkere figuur maakte zich los uit de groep en
kwam hem tegemoet. Fedde herkende Hinrick Reijnkens, bevelvoerder van de stad
Groningen, aan zijn vierkante schouders. ‘Alles zoals afgesproken?’ vroeg de
man.
‘De Friezen zitten
nietsvermoedend te wachten,’ antwoordde Fedde. ‘Op hun einde.’
De commandant draaide zich op
de hakken van zijn laarzen om en keerde terug naar zijn manschappen. Fedde deed
een stap achteruit, zich er zo van verzekerend dat hij niet in de weg stond. De
Groningers die voorbijkwamen, zagen er zelfs in het donker verbeten uit. Zij
zouden geen genade kennen.
|