|
Intro
Verhalen
Fragment
Illustratrice
Boekpresentatie

|
Brendan spiedde om zich heen, hield zijn adem in en
luisterde aandachtig. Niks. Geen geritsel, geen sporen in de sneeuw.
Dat vervloekte hert mocht hem
niet ontsnappen. Na een lange dag had hij slechts één mager konijn weten te
strikken. Het wild glipte hem iedere keer net door zijn vingers.
Over een paar dagen was het
Lichtfeest. Liefde en gezondheid voor allen dankzij de grote Garoma. Hij
spuugde op de grond, die grote Garoma mocht zijn woorden wel eens waarmaken. Jorg
was ziek, had medicijnen en stevige maaltijden nodig en er was amper te eten en
geen geld. Wat voor vader was hij, dat hij zijn zieke zoon niet kon geven wat
hij nodig had. Brendan wist niet hoe ze de winter door moesten komen en dan
moesten ze Lichtfeest vieren? Waarmee? Een konijn?
Recht voor hem beroerden waterige
zonnestralen de besneeuwde bosgrond. Daarachter lag een ogenschijnlijk
onbegaanbaar woud.
Zijn instinct vertelde hem dat
het hert zich daar had verscholen. Hij sloop in de richting van het
dichtbegroeide woud, met doornige struiken, bomen zo dik dat je erin kon wonen
en takken die maar één doel leken te hebben: hem verstrikken. Zijn boog bleef steeds
ergens achter haken, zijn voeten knarsten in de sneeuw en hij hijgde zwaar.
Ieder dier met oren op zijn kop had zich allang uit de poten gemaakt.
Hij plofte neer en dronk een
slok water. Wederom zou hij zonder groot wild thuiskomen. Hij zag de
ontgoocheling al in Asmara’s ogen. Zijn lieve vrouw, door zorgen getekend.
Het moest de teleurstelling
zijn, waardoor het eikenblad dat voor hem op de grond lag, glinsterde alsof het
van zilver was. Had hij maar zilver. Dan kon hij zijn gezin onderhouden zoals
een man behoorde te doen.
De glinsteringen leken vingers
die hem gebaarden dichterbij te komen. Brendan boog voorover en het eikenblad
bewoog. De wind natuurlijk. Hij schudde zijn hoofd en lachte geluidloos. Wat
een waanzin.
Toen hij opstond, bibberde het
blad. Hij knielde ervoor neer. Het leek een klein figuurtje! Brendan knipperde
met zijn ogen, maar het verdween niet. Tere armpjes en beentjes, een delicaat
gezichtje.
Brendans mond viel open. Voor
hem lag een zilvernimf op de grond. Een levende! Bracht de grote Garoma dan
eindelijk het beloofde geluk? Zilvernimfen waren zeldzamer dan diamanten. Een dode
zilvernimf was goud waard.
Heel voorzichtig bracht hij
zijn grove vingers onder het bevende wezentje en tilde het op. Zijn hand werd
omgeven door een gloed. Het was echt een zilvernimf! Een wezentje met een
menselijk uiterlijk, niet groter dan de palm van zijn hand. Het had een
roestbruine huidskleur en vleugels zo teer als spinrag. Een van de vleugels was
rafelig afgebroken. Uit een buikwond vloeiden minieme druppels zilver.
‘Je bent gewond,’ zei Brendan.
De zilvernimf knikte moeizaam.
Brendan trok zijn wenkbrauwen op. Kon het wezen hem verstaan? De nimf had twee
zilveren ogen, een neus en een mond, maar geen oren. Toch leek het wezentje hem
te begrijpen.
Hij durfde nauwelijks adem te
halen, bang dat hij de nimf van zijn hand zou blazen. Een zilvernimf!
‘Kun je spreken?’
Het minuscule mondje opende
zich, maar er kwam geen geluid uit. Voorzichtig bracht hij zijn oor dichterbij,
maar op de normale bosgeluiden na, hoorde hij niets.
De glans van het zilver
verlichtte zijn ogen, dit was zijn kans. Zijn gezin zou nooit meer honger lijden.
Eindelijk medicijnen voor Jorgs hoest. Asmara hoefde de grond niet meer om te
woelen naar eetbare wortels en hij hoefde niet langer te zwoegen in dienst van
Heer Gullin. Als hij het goed aanpakte.
‘Jij gaat mij rijk maken,
kleintje,’ zei hij lachend. De zilvernimf bibberde.
Met een smak gooide hij het konijn op dekeukentafel.
‘Wilde het niet lukken?’ vroeg
Asmara en gaf hem een kus. Ze zuchtte. ‘Jorg hoest bloed op.’
Brendan hoorde de
onuitgesproken zin: ‘Hij moet naar een genezer.’
Als hij de zilvernimf doodde
en aan Heer Gullin aanbood voor zijn collectie, kon Jorg direct naar de genezer
en hoefde Asmara niet langer zorgelijk te kijken. De rimpels ontsierden haar
mooie gezicht.
Of kon Jorg nog even wachten?
Totdat Brendan wist hoe hij zoveel mogelijk zilver aan de nimf kon verdienen.
Hij beende naar de achterkamer
waar zijn zieke zoon op bed lag. Jorg hoestte en rochelde; het scherpe,
ziekelijke geluid ging Brendan door merg en been. Nadat de hoestbui over was,
keek Jorg hem aan, met rooddoorlopen ogen. Zijn bleke haren plakten aan zijn
voorhoofd. Toch glimlachte hij zijn vader toe.
‘Gaat het, jongen?’
Jorg knikte.
Toen Brendan de wang van Jorg
raakte, voelde hij de koorts. Zijn zoon had medicijnen nodig, hij moest de
zilvernimf nu doden. Geen uitstel meer.
Met een verbeten trek om zijn
mond stond hij op. Asmara liep op hem af en legde haar hand op zijn gespannen
schouder, kneep er bemoedigend in. ‘Hij is sterk. Kinderen zijn sterk,’ zei ze.
Ze had gelijk, Jorg was al
maanden ziek. Hij hield het nog wel één dag vol. Eén dag waarin hij informatie
kon verzamelen.
‘Zou je een verhaal willen
horen?’ vroeg Brendan.
Een flauwe glimlach krulde Jorgs
blauwe lippen, hij was verzot op verhalen.
‘Ik ga Weern uitnodigen voor
het avondeten, in ruil voor een verhaal.’ Het was in ieder geval de halve
waarheid. Weern was een oude bedelaar die prachtig kon vertellen. Niemand wist
meer over zilvernimfen dan hij. Het verhaal ging dat hij ooit een zilvernimf had
gevonden. Weern wist vast hoe hij deze onvoorstelbare meevaller kon benutten.
Als Brendan de man wat van zijn zelf gestookte bessenwijn voorzette, zou hij de
volgende dag niet eens meer weten welke informatie hij verstrekt had.
Ze deelden een waterige aardappelsoep. Na het eten
bracht Brendan de kalende, magere man naar de achterkamer.
‘Mijn zoon wil graag een
verhaal horen over zilvernimfen,’ zei Brendan. Het was niet moeilijk geweest om
Jorg op dat idee te brengen.
‘Ah, zilvernimfen,’ zei Weern
en zijn grijze ogen lichtten op. ‘Dan ben je bij de juiste persoon, jonge
heer.’ Hij schoof een kruk naast het bed en ging zitten.
Vol verwachting keek Jorg naar
de oude man.
‘Je hebt nog nooit een
zilvernimf gezien, hè?’ Nadat Jorg had ontkend, vervolgde Weern: ‘Het zijn
magistrale wezentjes, zo groot als een mannenhand, zo mooi als een elf en zo
teer als een pasgeboren baby. Het bijzondere aan deze nimfen is dat er geen
bloed door hun lichaam stroomt, maar zilver. Daarom heten ze zilvernimfen, maar
dat wist je wel, hè?’
Jorg knikte.
‘Als ze leven, voelt hun huid aan
als een warm bloemblad, maar als ze sterven, gebeurt er iets heel bijzonders. Weet
jij wat er dan gebeurt?’
Jorg wilde antwoorden, maar er
volgde een hevige hoestbui. Rood aangelopen en met tranende ogen slaagde hij er
uiteindelijk in ‘ja’ uit te brengen.
‘Maar heb je het ook gezien?’
Nee, Jorg had nog nooit een
dode zilvernimf gezien. De enige die een collectie zilvernimfen had, was Heer
Gullin. Vijf dode zilvernimfen: een ongekende rijkdom.
‘Als je het niet zelf gezien
hebt, is het niet voor te stellen hoe onwaarschijnlijk mooi een dode zilvernimf
is,’ zei Weern. ‘Alle lijntjes, alle vormen, ieder verfijnd detail van de
zilvernimf blijft behouden als zijn lichaam tot zilver verwordt. Veel mensen
denken dat het het zilver is, dat de nimfen zo waardevol maakt. Maar dat is
niet zo. Eén blik op een zilveren nimf brengt je dichter bij de grote Garoma,
vervult je met zoveel liefde en warmte dat je ogen ervan gaan tranen, ook al
ben je een stoere vent.’
Heer Gullin vervuld van liefde?
Brendan kon het zich niet voorstellen. De man kocht zijn plaats wel in de
hemelen van de grote Garoma. En hij? Hij had een zilvernimf in zijn handen
gehouden. En het enige waar hij aan kon denken, was hoe hij zo rijk mogelijk
kon worden. Liefde en warmte, wat kocht je daarvoor?
‘En… wat niet veel mensen
weten, jonge heer Jorg, is dat als je ooit een levende zilvernimf ziet, je tien
jaar lang geluk zult hebben. Voorspoed is je deel, buitenkansen te over,
gezondheid en liefde vloeien rijkelijk. Echter alleen als je een goed en
onzelfzuchtig mens bent. En blijft.’
Ondanks de koorts en de
snottebellen straalde Jorg van verrukking. Weern wist het mooi te vertellen.
Tien jaar lang geluk? Zouden Brendans
problemen vanzelf verdwijnen omdat hij een zilvernimf had gezien? Hij zou bijna
in het sprookje van Weern gaan geloven. Geluk werd overschat. Zilver was
zekerheid.
‘Zilvernimfen zijn
boodschappers van de grote Garoma. Net als Garoma brengen zij liefde en
gezondheid, aan de mensen die het verdienen,’ zei Weern. Hij klonk bijna als
een priester.
Wij verdienen het zeker, dacht
Brendan. Misschien zou dit Lichtfeest daadwerkelijk een feest worden.
‘Maar als je een zilvernimf
slecht behandelt of hem voor je eigen gewin wil gebruiken, dan wacht je tien
jaar ongeluk en ellende. Of erger,’ zei Weern en hij hief waarschuwend zijn
vinger.
Brendan haalde zijn schouders
op. Het was een mooi verhaal. Hij ging de kamer uit om bessenwijn te halen, terwijl
Weern zei: ‘Dan zal ik je nu vertellen van de keer dat ik een levende
zilvernimf zag, lang geleden toen ik nog jong en onbezonnen was…’
Het was al laat en Brendan was moe. Jorg lag met
een glimlach te slapen, Asmara had zich teruggetrokken en hij zat met een
spraakzame Weern aan de keukentafel.
‘Is een levende zilvernimf
niet meer waard dan een dode?’
Weern schudde zijn hoofd. ‘Zo
werkt dat niet. Ooit probeerde iemand een levende nimf in een kooi te houden en
tentoon te stellen, maar de nimf stierf binnen acht dagen en die man niet veel
later, aan een zeer akelige ziekte. De enige goede zilvernimf is een dode. Mag
ik?’ De man schonk zichzelf nogmaals bij.
‘Kunnen ze spreken?’ vroeg
Brendan.
‘Ben je gek. Het zijn maar
insecten, hoor. Waardevolle insecten, als ze dood zijn.’ Weern lachte een
scheve lach.
‘Hoe maak je een zilvernimf
dood?’
‘Je krijgt het beste resultaat
als je de nimf in snelstromend water verdrinkt. Maar je moet wel oppassen voor
beschadigingen. Datgene wat beschadigd raakt, groeit er na de dood natuurlijk
niet meer aan.’
Brendan zag de gerafelde
vleugel voor zich. Heer Gullin wilde vast geen beschadigde nimf kopen. Zou het
wezentje zichzelf kunnen genezen? Hij zou moeten wachten tot de nimf was
opgeknapt. ‘En wat levert zo’n nimf nou op?’
‘Meer goud en zilver dan jij
en ik ooit bij elkaar zullen zien. Zelfs meer dan waar wij ooit van dromen.?
Torenhoge stapels goud- en
zilverstukken trokken aan Brendans blikveld voorbij. ‘Noem eens een getal.’
‘Ik heb horen fluisteren dat
Heer Gullin voor de grootste zilvernimf in zijn collectie vijfhonderd goudstukken,
duizend zilverstukken en een landgoed heeft betaald.’
Brendans ogen glommen. Eenlandgoed en zoveel geld dat hij en zijn gezin het nooit op konden krijgen. Hij
had een schat in het bos verstopt die hij heel snel moest verzilveren.
Na zijn werk was hij rechtstreeks naar de plaatsgerend waar hij de zilvernimf verstopt had. Het wezentje lag bewegingsloos in
de provisorische kooi die hij gemaakt had. Het zag er niet naar uit dat het
zichzelf aan het genezen was.
Voorzichtig duwde hij een
vingertop in de zij van de zilvernimf waardoor het de ogen opende. Doffe
zilveren puntjes keken hem aan.
‘Het gaat niet goed, hè.’
De zilvernimf reageerde niet.
‘Wees niet bang, ik wil je
helpen. Kan ik je helpen?’
De nimf knikte.
‘Wil je eten? Water? Heb je
het koud? Moet ik je vleugel verbinden? Kan ik iets aan je buikwond doen?’
Na elke vraag schudde de
zilvernimf zijn hoofd.
‘Wat kan ik dan doen?’ zei Brendan
met een zucht.
Bevrijd mij.
Het was alsof de woorden door
een zachte wind van ver waren meegenomen. De echo van woorden die ooit
gesproken waren. Brendan schudde zijn hoofd om de hersenschimmen te verdrijven.
Laat mij gaan.
‘Ben jij die stem in mijn
hoofd?’
De zilvernimf knikte. Ik ga dood hier.
Nog niet, blijf leven, gebood
Brendan de zilvernimf in gedachten. Het is pas tijd als je vleugel geheeld is.
Laat mijn volk me helpen.
‘Laat mij je helpen. Zeg me
wat je nodig hebt en ik zorg ervoor.’
Vrijheid.
‘Dat zal niet gaan, kleintje.
Alles behalve dat.’
De zilvernimf sloot zijn ogen.
‘Hé, kom op. Zeg me hoe ik je
helpen kan.’
Ook na een duwtje reageerde de
zilvernimf niet. Na een aantal pogingen gaf Brendan het op en vertrok met een
hoofd vol razende gedachten naar huis.
Het voorhoofd van Jorg gloeide als een houtskoolkomfoor.
De verontruste blik van Asmara bezorgde hem een hol gevoel in zijn maag. ‘Hij
heeft amper gedronken vandaag.’
Waarom had hij de zilvernimf
niet meteen gedood? Hij speelde met het leven van zijn zoon. Zelfs met
beschadigde vleugel was de zilvernimf meer waard dan hij in twee levens kon
verdienen. ‘Zorg voor Jorg, ik moet even weg. Als ik terug ben, zijn onze
problemen voorbij.’
Asmara keek hem met
opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘De manier waarop je dat zegt, bevalt me helemaal
niet. Wat ga je doen? Ik verbied het je. Straks word je opgehangen. Ik heb je
nodig, Brendan.’ Ze sloeg haar arm om hem heen, alsof ze hem nooit meer los zou
laten.
Toen ze hem eindelijk losliet,
zei ze: ‘Ik ga de genezer halen en bied hem onze laatste kip aan. Blijf jij bij
je zoon.’
.....
|