4328 Dochter van een zwarthemd

Hoofdstuk 1

Mei 1945

Links, rechts, links, rechts. Langs velden en wegen. Nauwelijks bebouwing, alleen eindeloze zandvlaktes, uitgestrekte heidevelden. Nergens leven. Op ons na.
Links, rechts, links, rechts. Rustig aan. Straks krijg ik weer een geweer op mijn borst gericht omdat ik te ver vooruitloop. Terwijl de opdracht toen we vanochtend vertrokken toch heus ‘marcheren in rotten van drie’ was. Ben ik dan de enige in wie het ritme vastgebakken zit? De enige die blij is dat ze weer kan lopen, na dagen stilzitten in een cel?
Ik kijk half over mijn schouder. Niks geen strakke linies, de mensen sjokken onordelijk voort. Sommigen zien eruit alsof ze vanochtend uit hun bed gesleurd zijn. Die man daar kreeg waarschijnlijk drie tellen om zich aan te kleden: geen hoed, geen das, alleen een scheef dichtgeknoopte overjas. En die vrouw hink-stapt op een klomp en een kartonnen schoen. Zelfs geen genade voor de kinderen: dat jochie loopt op de laatste flarden van zijn sloffen. Ik krijg een duw. ‘Voor je kijken.’
Ik kijk naar hém. De bewaker met het bolle gezicht. Die ken ik toch? Ook al draagt hij nu een uniform en heeft hij een geweer om zijn nek hangen. Het is Tom, de scharensliep die bij ons aan huis kwam. Nog te dom om voor de duvel te dansen; en die zit nou bij de Binnenlandse Strijdkrachten? Die geven ze een geweer in handen?
‘Voor je kijken,’ snauwt hij weer en hij heft zijn geweer.
Ik kan niet anders dan mijn lippen op elkaar persen en mijn blik afwenden. Gewoon doorlopen. Dóórgaan.
Links, rechts, links, rechts. Mijn benen willen wel. Die willen sneller, harder. Wegrennen. Ik weet alleen niet waarnaartoe. Er is geen plek meer voor mij in mijn vaderland. Voor niemand van dit bijeengeraapte zooitje.
Gehaaste, onregelmatige voetstappen achter me. ‘Stop. Halt. De linies mogen niet worden doorbroken,’ wordt er gesnauwd.
Welke linies?
Twee weilanden verder hoor ik weer die gehaaste pas. Iemand dringt zich steeds verder naar voren. Vluchtig kijk ik om en ik struikel bijna over mijn eigen voeten. Grietje?
Haar brede glimlach zegt genoeg. Het ís Grietje! Ze leeft nog. Het bovenste knoopje van haar blouse zit los, maar dat zegt niets bij Grietje. Als ze op jacht gaat, doet ze soms wel drie knoopjes open.
Voor ons geen jongensjacht meer.
Met een minieme hoofdbeweging gebaart ze dat ik weer voor me moet kijken, maar ik heb haar al zo lang niet gezien! Terwijl ik keurig meeloop met de mensen in de voorste rij, schuifel ik een klein beetje naar links, zodat er naast mij wat ruimte ontstaat. En ja, dan duikt ze naast me op.
De wilde, donkere haren, nog enigszins in bedwang gehouden door het sjaaltje dat ze om haar hoofd heeft geknoopt. De sproetjes rond haar neus, waar ze zelf zo’n hekel aan heeft. En haar geheime wapen: de glimlach waarmee ze mannenharten laat smelten.
Ik heb ook het gevoel dat ik smelt. Dat ik heel even mijn harnas mag neerleggen. ‘Hoe? Wat? Waa…?’
De geweerkolf in mijn rug zwiept de laatste letter ver de lucht in. ‘Kop dicht, vuile NSB’er.’
Grietje slaat haar lange wimpers neer, alsof ze wil zeggen: doe nou maar. Luister maar.
Ik wrijf over mijn rug. Dat wordt een blauwe plek. En waarom?
Als de bewaker niet meer op mij let, grijp ik Grietjes hand. Ik knijp, gewoon, om me ervan te verzekeren dat ze er is. Dat ze niet meer zal verdwijnen.
Voor het eerst in weken voel ik me geen eenzame meeuw meer die tegen de storm in moet vliegen.
De Stormers volgen hand in hand,
voor Leider, Volk en Vaderland!
Stormersjeugd! Stormersjeugd! Stormersjeugd marcheert.

De woorden dreunen door mijn hoofd. Mijn voeten dreunen erachteraan: links, rechts, links, rechts.
Grietje neemt het ritme over. Waarschijnlijk klinkt de Trommelmars ook in haar hoofd. Hoe vaak hebben we samen niet gezongen? Gemarcheerd? Ons onoverwinnelijk gevoeld?
En nu zijn we niets meer. De vijand.
Mijn blijdschap over het weerzien waaiert net als de wolk boven mijn hoofd uit. Grietje staat hetzelfde lot te wachten als mij. Wat het ook zal zijn, goed is het niet.
Ik frons. Nu lijk ik mijn moeder wel. Zo wil ik niet zijn, vader zou zich voor me schamen.
Hoe zou het met moeder zijn? Zou zij ook opgepakt zijn? Als het goed is, zit zij veilig bij mijn oudtante in Norg. Zij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Maar ik ook niet. Grietje net zomin. Die heeft alleen harten gebroken. En toch lopen we hier.
Een legerauto haalt ons in. Ik kan niet zien wie erin zitten. Vast hoge heren, wie anders rijden er in een auto? Alleen… welke hoge heren dan? Als ze Tom de scharensliep al in een uniform hijsen.
Nog een legerauto, gevolgd door twee vrachtwagens. We zijn er bijna, dat kan niet anders. We lopen ook al uren.
Westerbork. Dat zei de gevangenisbewaarder vanochtend toen hij mijn cel binnenkwam en commandeerde: ‘Kleed je aan.’
Gaan ze in Westerbork verder met het stellen van steeds weer dezelfde nutteloze vragen? Alsof ik op een andere plaats andere antwoorden zal geven.
Ach, ik kom er vanzelf achter.
Zo in het lentezonnetje ziet de omgeving er niet verkeerd uit. Het gras in de weilanden groeit al behoorlijk, alsof er nooit Duitse of Engelse soldatenlaarzen overheen getrapt zijn. De bomen strekken hun takken naar alle kanten uit, de bevrijding omarmend.
Maar dan zie ik het prikkeldraad in de verte. Zwarte, stekelige lijnen die het groen grof doorkruisen. Wordt dat mijn nieuwe gevangenis?
Alles in mij verzet zich. ‘Dit is niet eerlijk. Laat me gaan!’ Maar mijn stem weet dat het geen zin heeft. Die houdt zich stil.
Ineens, alsof hij zojuist is neergezet, staan we voor een slagboom. De rood-witte paal gaat omhoog. Wijst naar het heldere lenteblauw aan de hemel. Grimmig kijkende mannen drijven ons het terrein op. Geweren als wegwijzers.
Voorbij het wachtershokje. Naar voren, hup rechts om de gebouwen heen, weer naar voren. Als vee.
Ik werp een blik op Grietje, maar zij kijkt strak voor zich uit. Haar gezicht een emotieloos masker, alsof ze zich alvast probeert te harden voor wat er komen gaat.
Ik knijp in haar hand en zij knijpt terug. Ze is nog niet van steen.
Geweerlopen drijven ons naar een veld. Daar staan ook de legerauto’s. Uit de vrachtwagens springen geen fitte soldaten. Smoezelige mensen in smoezelige kleren, die moeizaam uit de laadbak klimmen. Sommigen worden eruit getild en in handkarren gezet. Of op een brancard op wielen gelegd.
Zieken en gewonden! Ook voor hen dus geen genade.
‘Opstellen in rijen van acht,’ brult een commandant.
Ik ga vooraan in de houding staan. Grietje precies op een armslengte naast mij. Meer en meer mensen volgen. Achter ons. Naast ons. Niet heel netjes in het gelid. Onze schaarleidster zou nu foeteren, maar deze bewakers lijken niet veel om orde te geven. Als ik naar sommige uniformen kijk, helemaal niets. Dat hadden ze niet moeten flikken bij vader.
Ik hoor hem al tieren over iedere kreukel die niet gladgestreken is. Hij zou dit haveloze zooitje wel hebben aangepakt. God, wat mis ik hem!
Rechts van mij komen de karren en brancards voorbij. De zieken worden richting het bruine houten gebouw voor ons geduwd. Mijn blik blijft op een van hen hangen. Nee. Ja. Nee, dat is onmogelijk. ‘Moeder?’
Voor ik twee stappen in haar richting heb gezet, krijg ik een geweerkolf in mijn buik. Ik klap dubbel.
‘Terug in de rij.’
Met een grote hap lucht sta ik weer recht en zoek de ogen van mijn moeder. ‘Dat is…’ De tweede klap komt tegen mijn kaak. De pijn voel ik niet. Alleen boosheid. Blijdschap. En angst. Wat doet moeder hier?
Ze gebaart dat ik moet kalmeren. Dat handje, dat gebaar, hoe vaak heb ik dat niet gezien? Als ik vol enthousiasme thuiskwam, terwijl zij met hoofdpijn op de bank lag. Of als ze zo misselijk was, dat mijn geestdrift haar het zuur bezorgde.
Haar huid is grauw, haar wangen zijn ingevallen, ik ken haar niet anders, maar haar haar… Hoe ziek ze ook was, ze zorgde altijd dat het keurig in de krul zat. En nu heeft ze een pluizenbos op haar hoofd. Daar is in weken geen krulspeld bij in de buurt geweest. Hebben ze haar ook gevangengenomen? Ondervraagd? Stelletje lafbekken! Mijn moeder is ziek!
Hoelang heb ik haar niet gezien? Na mijn vlucht uit Assen warrelen de herinneringen als een roerige wervelwind door elkaar heen. Zo te zien heeft moeder ook veel meegemaakt. Het zonlicht schijnt ongenadig op alle diepe lijnen in haar gezicht.
Oud.
Op.
En dan verdwijnt ze in het houten gebouw. Ik probeer door de planken heen te kijken. Wat gaan ze daar met haar doen?
De planken weigeren ieder antwoord, dus ik laat ze los. Dwaal rond met mijn ogen. Overal stampen bewakers met geweren. Maar er gebeurt verder niets. We staan hier maar te staan.
Mijn benen worden onrustig. In wachten ben ik nooit goed geweest. Ik moet iets te doen hebben. Een doel. Net als vader.
Een gebiedende hand wijst naar voren. ‘Jij, jij, jij en jij, naar binnen en snel.’
Vier mensen schuifelen onzeker naar voren. Een geweerloop wijst naar het bruine gebouw en de vier verdwijnen erin.
Ik zoek antwoorden op het gezicht van Grietje, maar zij weet net zo weinig als ik. Waar zou háár moeder zijn? Haar vader? Gewoon weer aan het werk op de boerderij? Nederland is bevrijd, maar er is niets meer gewoon.
Weer gaat de gebiedende hand omhoog. Nu wijst hij mij aan, Grietje, en de twee vrouwen naast ons. Met grote passen stamp ik het gebouw binnen waarin mijn moeder is verdwenen. Ik zie haar niet. Alleen meer bewakers. Het ruikt naar nat hout. Naar angstzweet. Maar niet dat van mij! Ze kunnen allemaal de pip krijgen!
‘Handen omhoog. Benen wijd.’
Lomp word ik gefouilleerd. Stakerige vingers priemen in mijn vel, alsof ik daaronder nog schatten verstopt heb. Alles is me al afgenomen op het politiebureau, zelfs mijn haarstrik. Die heb ik vanochtend bij vertrek niet teruggekregen, mijn veters en riem wel. Maar daarin zijn ze hier niet geïnteresseerd. Fijn om te weten dat ik me nu wél mag ophangen.
Naast me maakt Grietje een verkrampt geluid. De vent die haar fouilleert, houdt zijn handen op haar borsten. Vuile rattenkop! Ik zou die grijns van zijn gezicht willen slaan, maar mijn bewaker duwt me vooruit. ‘Grietje?’
De gummiknuppel wordt achteloos op mijn schouder gelegd. Nog één kik en mijn schouder is moes.
Ik word een kamertje in geleid. Voor mij zit een vrouw aan een tafel. Ze neemt niet de moeite om me aan te kijken. ‘Naam?’
Ik recht mijn rug. ‘Antje Buursma.’
Ze schrijft mijn naam op een vodje geelbruin papier. ‘Geboortedatum en -plaats?’ Het zijn neutrale woorden, maar uit haar mond klinken ze vijandig.
‘29 mei 1927 te Assen.’ Over vier dagen word ik achttien. Ze zullen hier vast geen taart uitdelen.
Ze graait een stoffen band uit een kist en schrijft weer wat op het vodje. ‘Vanaf nu ben je nummer 4328. Draag deze band altijd om je arm.’
Ik pak hem aan en doe hem om. Hij is licht, knelt niet en toch voelt hij als een ijzeren keten.
‘Was je lid van de Jeugdstorm?’ Nu kijkt ze me wel aan. Haar bovenlip minachtend opgetrokken.
‘Ja.’
‘Heb jij opdrachten uitgevoerd voor de WA?’
‘Nee!’
‘Ben jij op razzia geweest met de Landwacht?’
‘Nee!’
‘Heb jij goud gestolen van onschuldige boeren?’
‘Nee-heeh!’ Waarom vragen ze dat toch steeds? Op het politiebureau ook al. Keer op keer, al die dagen dezelfde onzin. ‘Ik heb niets misdaan.’ Waarom geloven ze dat toch niet?
‘Barak 83,’ zegt de vrouw en daarmee is het verhoor blijkbaar ten einde. Ze jaagt me met haar blik terug de gang op, waar weer een gummiknuppeldraaiende schoft klaarstaat. Hebben ze alle goten van Nederland soms leeggevist? Met de gummiknuppel tegen mijn billen word ik via een gangetje naar buiten gedreven.
‘Hier wachten.’
Bijna snauw ik terug dat hij niet hoeft te snauwen. Alsof die vent zo’n hele volzin zou begrijpen.
Ik kijk uit naar moeder, maar zie alleen een laag gebouw. Het hangt van ellende aan elkaar. Er komt een vrouw met een kaal hoofd uit. Ze krimpt in elkaar als ze me ziet kijken, dus ik probeer mijn blik af te wenden, maar het lukt niet. Wat een afschuwelijk kale knis!
Als de vrouw wordt weggeleid, kan ik weer niets anders doen dan wachten. Terwijl de gummiknuppeldraaier me uitdagend aankijkt. Ik ben niet gek, ik ga hem geen excuus geven. Gedwee richt ik mijn blik op het zand voor mijn voeten.
Voetstappen. Het is Grietje. Ook zij draagt een band om haar arm. Van haar oogverblindende glimlach is niets meer over. Ze lijkt ineens zo jong, ook al schelen we slechts een paar maanden.
‘Hetkomtwelgoed,’ fluister ik met mijn lippen op elkaar. Onze bewakers horen het niet, ze worden afgeleid door een handkar die over de drempel van het lage gebouw stuitert. Er zit een tenger vrouwtje in dat heen en weer wordt geschud als een lappenpop. Een wanstaltige lappenpop, zo met die kale schedel.
Naast me stokt Grietjes adem. ‘Och, mevrouw Buursma toch!’
Bij het horen van mijn moeders naam schiet mijn blik naar de vrouw in de kar. Moeder! Dat is gewoon mijn moeder! Helemaal kaalgeschoren. Ik herkende haar niet!
‘Hier.’ Grietje knoopt het sjaaltje over haar hoofd los, reikt het mijn moeder aan en krijgt een tik op haar hand met een gummiknuppel. Ze slaakt een kreet en laat het sjaaltje los, maar moeder heeft hem al te pakken.
Ik vang de ogen van de bewaker die haar voortduwt. ‘Mag ik haar helpen die om te knopen?’
Zowaar, hij knikt. Toch nog iemand met een greintje menselijkheid hier.
Ik strijk met een trillende vinger over haar kaalgeschoren hoofdhuid. Zo glad, zo zacht en tegelijkertijd huiveringwekkend. Alsof ik de gruwel ermee kan verhullen, bedek ik haar kale hoofd met Grietjes sjaal. Mijn vingers trillen zo dat ik geen knoop in de punten gelegd krijg.
Rug recht, Antje, hoor ik vader zeggen. Zou hij dat werkelijk gezegd hebben als hij moeder zó had gezien? Maar ik dwing mijn handen om de sjaal vast te knopen, voordat de menselijkheid van die bewaker op is.
‘Hij staat u mooi,’ zegt Grietje in een dappere poging mijn moeder op te beuren.
‘Dank je, Grietje.’
‘Genoeg!’ De bewaker zet de kar weer in beweging.
‘Waar brengt u mijn moeder naartoe?’
Als de bewaker al antwoordt, dan hoor ik het niet. Mijn oren suizen van de vuistslag die ik van de gummiknuppeldraaier krijg. Zwarte vlekken schieten door mijn blikveld. Als de duizelingen zijn weggetrokken, is ook mijn moeder weg. Wat gaan ze met haar doen?
Wat gaan ze met óns doen?