Fragment uit Vuurproef
Heer Vaillant hief zijn hand en de menigte kalmeerde. ‘Ik
verwacht van jullie allemaal oplettendheid. Als je iemand van hekserij
verdenkt, kom dan naar mij toe. Je kunt in het geheim getuigen, zodat je niet
bang hoeft te zijn voor wraakacties van de heks. Samen zullen we de duivel
verslaan!’
Een woest applaus brak uit. Mensen klapten, riepen en joelden:
‘Lang leve Heer Vaillant!’ ‘Weg met de duivel!’ ‘Dood aan alle heksen!’
Met zijn armen in de lucht geheven, nam Heer Vaillant het
applaus in ontvangst. Zijn koude ogen glinsterden.
Verdoofd keek Anna toe.
Nadat de rust was weergekeerd, sprak Heer Vaillant verder.
‘Pastoor Pauwels is zo goed om de heks een laatste mogelijkheid te bieden om
berouw te tonen voor haar zonden. Pastoor, mag ik u verzoeken...’
Met rode wangen liep pastoor Pauwels het platform op. In
zijn linkerhand droeg hij een flesje wijwater. Met zijn rechterhand hield hij
een houten kruis voor zijn dikke buik, alsof het een schild was dat hem kon
beschermen tegen kwalijke toverij.
Jenneke reageerde niet op de aanwezigheid van de pastoor. De
hele vertoning was aan haar voorbij gegaan. Met open ogen staarde ze in het
niets.
‘Jenneke de Grauw,’ begon de pastoor, op zijn gebruikelijke
preektoon, ‘wil je berouw tonen voor al je zonden? Ben je bereid de duivel af
te zweren en je leven in de handen van de Almachtige God te leggen? Of wil je
in zonde sterven?’
Geen reactie, behalve uit het publiek.
‘Zelfs nu toont ze geen berouw,’ zei Marie.
‘Een ware heks. De duivel staat haar bij,’ was het antwoord
van haar man.
Anna begreep die haat niet. Zij waren allen Gods kinderen.
Ook Jenneke de Grauw.
Heer Vaillant liep naar de pastoor en legde een hand op zijn
schouders, een duidelijk teken dat hij het toneel kon verlaten.
De pastoor zei nog iets tegen Jenneke, wat Anna niet kon
verstaan, en maakte een kruisteken. Daarna verliet hij het podium. Zijn rol was
uitgespeeld.
‘Jenneke de Grauw zal de vuurdood sterven. Laat haar dood
een les zijn voor iedereen die zich met hekserij bezig houdt. Zie wat wij doen
met dienaren van de duivel.’ Vaillant wees naar Jenneke.
Anna voelde een donkere dreiging in de lucht, erger dan
welke hagelstorm ook. Zou het Gods toorn zijn? Volgens pastoor Pauwels was het
Gods wil dat heksen gestraft werden. Was het werkelijk Zijn wil dat Jenneke
vandaag zou sterven?
Misschien moest ze niet zoveel nadenken. Haar gedachten
waren niet die van een vrome vrouw. Alles wat gebeurde, was Gods wil, dus dit
ook.
Ondertussen hadden Heer Vaillant en Meester Fabri zich bij
de schepenen gevoegd, op veilige afstand van de brandstapel. De beul bukte zich
om achter het platform iets te pakken. Toen hij zich omdraaide, hield hij een
brandende fakkel in zijn handen.
Het ging daadwerkelijk gebeuren.
Het gehele marktplein was doodstil: niemand fluisterde,
hoestte of schuifelde. Alle ogen waren op de beul gericht, die met grote passen
naar de brandstapel liep. Daar bracht hij zijn fakkel naar beneden en stak de
eerste bundel twijgen in brand. Hij liep naar de zijkant om daar de brandstapel
aan te steken. Zo liep hij rond Jenneke, hier en daar een bundel aanstekend.
Toen er van alle kanten rook omhoog steeg, voegde hij zich bij de rest van de Heren
op het podium.
Anna wilde gillen van afschuw.
Nog steeds keek Jenneke met doodse ogen voor zich uit. De
vlammen grepen om zich heen, duivelse klauwen op zoek naar een slachtoffer. Al
snel stond de voet van de brandstapel in brand. Grote bundels grijze rook
kringelden omhoog.
Snel kroop het vuur omhoog, in de richting van Jennekes
voeten. De lamgeslagen vrouw begon uit haar verdoofde toestand te ontwaken. Een
korte kuch, gevolgd door een verstikkende hoest.
Ondanks de rook, zag Anna hoe het leven terugkeerde in de ogen
van de vrouw. Wild keek ze om zich heen. Eindelijk drong de situatie tot haar
door.
‘Neeeee!’ gilde ze. Het geluid bracht het zuur in Anna’s
maag aan het kolken.
Jenneke was nu volledig bij bewustzijn, ze rukte met haar
armen aan haar ketens, haar gepijnigde lichaam heen en weer slingerend, en
hoestte en hoestte en stikte bijna door de rook.
‘Heb genade! Heb genade!’ krijste ze.
Het vuur had geen genade, het had Jennekes voeten bereikt. Jenneke
gilde als waanzinnig. Gruwelijk vlug stond haar hele kronkelende lichaam in
brand.
De geur van verbrand vlees drong diep door in Anna’s neus.
Ze dacht niet dat ze ooit nog frisse lucht zou ruiken.
Jenneke schreeuwde niet langer. Het geknetter van het vuur
klonk pijnlijk hard. Dat geluid was nog hartverscheurender dan het gekrijs van
de vrouw. Een warme traan liep over Anna’s wang. Afschuw, onmacht en medelijden
streden in haar binnenste.
Henck staarde met grote ogen naar het vuur, zijn gezicht zo
grijs als as. Marie en Nicolaes stonden hand in hand ook naar het vuur te
turen. Had Marie vochtige ogen? Of kwam dat door de rook?
De mensen rondom Anna keken of naar het vuur, of naar de
grond. Moeders hielden hun handen voor de ogen van hun kinderen. De woede die
vooraf van de gezichten sprong, was bijna overal verdwenen. Angst, verwarring
en ongeloof waren ervoor in de plaats gekomen.
Misschien was Jennekes dood niet voor niets geweest. Begrepen
de dorpelingen nu dat mede dankzij hen deze heks was verbrand? 
Het vuur verteerde alles wat er van Jenneke de Grauw over
was. Het knetterde en brandde totdat er een zwartgeblakerd lichaam overbleef.
Al die tijd stonden de dorpelingen er als standbeelden bij.
Toen het laatste vlammetje gedoofd was, verlieten de hoge Heren
het podium. Zacht pratend wandelden zij in de richting van herberg ‘Het Gouden Oor’.
Is Vuurproef feit of fictie?