Duivelse meiden

KLIK. Als ik nu een foto kon maken, zou de juf vuurrood haar hebben. Het zonlicht dat schuin door het raam valt, zet haar haar in brand. Maar mijn mobiel ligt in mijn la.
Balen.
Vlammende juf was een geweldige foto geweest. Zeker omdat juf Emma eigenlijk altijd lief is. Behalve als je stiekem onder schooltijd op je mobiel zit.
De juf klikt een paar keer met de muis en dan verschijnt er een groot vraagteken op het digibord. ‘Ik heb iets spannends voor jullie …’
Daan begint meteen met zijn handen op zijn tafeltje te roffelen. De ADHD’ers doen mee met hun voeten. De juf heft haar hand en zowaar, het tromgeroffel valt stil. ‘Ik dacht: jullie zijn wel toe aan een uitdaging.’
De emo’s slaken – lekker dramatisch – een diepe zucht. Onverstoorbaar gaat juf Emma verder: ‘Het is tijd voor het eindproject.’ Voor de doven onder ons zet ze het ook nog even groot op het digibord: EINDPROJECT.
Nu zucht de halve klas met de emo’s mee. De andere helft begint meteen groepjes te vormen.
Maud, Lotte, Feyza en Kasia roepen naar Sophie: ‘Wij samen!’ ‘Wij een groepje?’ ‘Ik wil bij jou.’ ‘Jij en ik.’ Echt, hè. Ze weten nog niet eens wat de opdracht is. En óf we in groepjes moeten werken.
KLIK. Middelpunt zou de foto kunnen heten. Sophie is de zon waar de rest van de klas omheen draait.
Weer heft de juf haar hand. Zelfs de mopperende etters zijn binnen een paar tellen stil. ‘Dit wordt het laatste project van de basisschool en ik wil wel eens zien wat jullie kunnen. Dus jullie mogen alles zelf beslissen. Wat het onderwerp wordt, of je het alleen doet of in een groepje, welke vorm je aan het project gaat geven en hoe je het presenteert. Jullie mogen schrijven, plakken, schilderen, filmen, zingen … Bedenk het maar!’
Gezucht en gejuich. Ik weet niet of ik moet zuchten of juichen. Alles zelf mogen bepalen is fijn, maar als je uit alles kunt kiezen, waar begin je dan?
‘Sophie, wij gaan samen, toch?’ smeekt Lotte.
‘En samen met mij!’ eist Kasia.
Dan roept iedereen door elkaar heen. KLIK. Krijsende klas. Mooi is het beeld niet, wel interessant. Al die openstaande monden, de wijzende vingers, de naar elkaar toe gebogen lichamen.
De juf heft haar hand, maar niemand lijkt het te zien. ‘Goed.’ Een stiltegolf stroomt door de klas. Het kost juf Emma nog een paar strenge blikken, maar dan zitten ook de ADHD’ers weer min of meer stil. ‘Toch een paar spelregels. De groepjes mogen niet groter dan vier worden.’
Ik probeer niet te glimlachen om de beteuterde gezichten van de Sophie-clan. Een van hen zal buiten de boot vallen. Zou die met mij …? Ik durf het amper te denken, laat staan te hopen.
Terwijl er aan alle kanten overlegd wordt, krijg ik een idee: een fotocollage. Nee, een echte expositie als werkstuk. Dat mijn klasgenoten langs mijn werk lopen en ‘wauw’ zeggen. Wauw, wauw, wauw.
‘En het onderwerp …’
‘Voetbal!’ kopt Emir hem in.
‘Ik had het over een uitdaging, weet je nog? Geen voetbal dus,’ zegt de juf met een glimlach. ‘En ook geen paarden,’ voegt ze met een blik op Eva en Lieke toe. ‘Het onderwerp moet iets te maken hebben met geschiedenis, aardrijkskunde, natuur of techniek.’
‘Duh, paarden zijn dieren en dus natuur,’ probeert Lieke.
‘En bij een potje voetbal komt heel veel techniek kijken,’ grijnst Milan, de op een na grootste voetbalgek van de klas. Hij loopt ook wel eens een dag níét in voetbaltenue.
‘Prima, als jullie mij de natuurkunde achter de baan van een geschopte bal gaan uitleggen.’
KLIK. In shock . Alsof juf Emma heeft voorgesteld alle ballen van de wereld lek te prikken. Eigenlijk is Uitgeluld de beste omschrijving, maar dat mag ik niet zeggen. Van mama moet ik bumsie zeggen. Maar uitgebumsied klinkt voor geen meter. De voetbaljongens zouden er ook geen bal van snappen.
‘… wie met wie gaat.’
O, ik heb iets gemist.
‘Uiterlijk volgende week maandag hoor ik welke onderwerpen jullie gekozen hebben. Heb je hulp nodig, dan weet je me te vinden, maar probeer het eerst zelf. Vanaf volgend jaar moeten jullie het ook zonder mij doen.’
‘Zucht,’ zegt Daan zonder zich ook maar een beetje in te houden.
Zucht, denk ik, wél ingehouden. Ik heb geen idee waar ik moet beginnen.

fototoestel

Haastig veegde Heylken het zweet van haar voorhoofd. Ze moest de karnstok op en neer blijven bewegen, steeds weer, met krachtige, lange halen. Maar het was snikheet, zelfs in de schaduw van de schuur.
Ze verlangde naar een plens water in haar gezicht. Nee, naar een duik in de Buulder Aa, ook al stond het water laag en was het groen van de alg. Ze zag zich al staan als het groene monster van de rivier. En dan haar zusjes laten schrikken, zodat ze het uit zouden gillen.
Dat zou wel even anders klinken dan de gilletjes die ze nu slaakten. Alsof ze de hitte van de zon niet voelden, renden ze lachend achter de rinkelhoepel aan.
Zij wel. Zij mochten spelen en Margje was al acht! Toen Heylken acht was, moest ze de koeien weiden, mest scheppen, de wortelen uit het veld trekken, de vloer vegen, emmers water uit de put halen, de kippen voeren, hout sprokkelen …
Maar Margje en Clara hadden háár om al het werk te doen.
Door de zon leken hun blonde haren bijna goud. Gods engelen. Heylken wreef haar eigen bezwete haar uit haar ogen. Zwart als de vacht van de duivel was het.
Ze haalde de karnstok op en neer, op en neer. Zou God zien hoe hard ze haar best deed? Of had Hij Zijn blik van haar afgewend? Net zoals vader altijd deed, alsof naar haar kijken pijn deed.
Heylken wilde de karnton een trap verkopen, maar haar teen was nog blauw van vorige week, toen ze boos tegen een deur had geschopt.
Uit de schaduw dook een schim op met vlammende ogen. ‘Wat sta je daar voor je uit te staren, lui kind?’ Voor Heylken kon wegduiken, had ze al een oorveeg te pakken. ‘Het spijt me, moeder.’
‘Denk je soms dat die melk vanzelf boter wordt?’ Moeder duwde haar aan de kant en opende de karnton. In de roomlaag bovenop dreef slechts een zielig klontje boter. Moeder stak haar vinger erin. ‘Nu is de melk te warm geworden. Het had al lang klaar moeten zijn.’
Misschien was het de duivel geweest, die ervoor gezorgd had dat de boter niet wilde karnen. En waar had zij staan werken? In de schaduw, waar hij zich graag verstopte. ‘Vergeef m…’
Moeders blik snoerde haar de mond. ‘Uit mijn ogen, duivelskind! Ga een bundel vlas voor me halen bij Maryken.’ Heylken rende al. Zodra ze uit moeders zicht was, klom ze over de omheining naar de vier koeien die loom in de kraal lagen en drukte haar gezicht tegen de hals van haar naamgenootje. Heylken II humde een vrolijk hallo, terwijl ze met haar staart de vliegen wegzwiepte. Haar lijf was warm, maar dit was een fijne warmte. Heylken voelde zich meteen weer beter. ‘Ik moet gaan.’
Op het pad brandde de zon. Toch verwelkomde ze het licht, omdat het de duivel zou afschrikken. Haar blote voeten schrijnden van het hete zand waarover ze liep. Haar jurk plakte aan haar rug en benen. Het stof dat ze opwierp, kriebelde in haar keel, maar ze bad hardop een weesgegroetje. En nog een, voor de zekerheid.
Maryken woonde met haar man voorbij de molen, dus Heylken kon door het dorp of eromheen. Erdoor was sneller en ze wilde moeder laten zien dat ze géén lui kind was.
Heylken versnelde haar pas, maar vlak voor de herberg bleef ze stilstaan. Er stond een hele groep mensen, minstens het halve dorp, en ze waren driftig in gesprek.
In de menigte zag ze een zwart gewaad. De pastoor! Wat deed hij in Soerendonk op een doordeweekse middag? Hun dorp had slechts een kapelletje, dus Heylken zag hem normaal alleen op zondag in Maarheeze, in de kerk daar. Voor de zekerheid sloeg ze een kruis.
‘Laten we gaan,’ zei de pastoor. Hoewel hij geen groot kruisbeeld boven zijn hoofd droeg, leek het toch een processie. Het halve dorp liep achter hem aan. Alleen was de sfeer niet vroom, eerder geladen, als een onweer dat zacht rommelend in de lucht hing.
Heylken mengde zich in de stoet. Naast mannen en vrouwen liepen er ook kinderen mee. Eerken en Lysken waren er ook. En natuurlijk hadden ze het gezellig samen. Zij hadden het altijd gezellig met elkaar, al waren ze zusjes.
Het stak, maar Heylken probeerde het niet te voelen. Jaloezie was een zonde.
De processie ging oostwaarts, tussen rogge- en gerstvelden door, richting de boerderij van Jan Leemans. De koeien in de wei loeiden bij aankomst van de stoet, terwijl de boer de pastoor verwelkomde met open armen, en een rood aangelopen gezicht van de warmte. ‘Godzijdank dat u er bent. Mijn koeien geven al een week geen melk meer en ze worden met de dag magerder.’
Wat erg! Heylken moest er niet aan denken dat háár koeien …
‘Ik ben naar een heidense meester geweest en die was ervan overtuigd dat ze betoverd zijn. Ik hoop dat het nog niet te laat is.’
‘Met Gods hulp zullen wij uw koeien onttoveren,’ antwoordde de pastoor.
Dus daarvoor was deze bijeenkomst!
‘Komt u mee. Ik heb ze apart gezet, zodat het kwaad zich niet kan verspreiden.’
De beesten zagen er inderdaad mager uit. Hier en daar zaten er kale plekken in hun vacht. En ze keken zielig uit hun ogen, smekend, alsof ze heel graag van het kwaad verlost wilden worden. Arme beesten. We gaan jullie helpen, beloofde Heylken woordeloos.
‘Kijk.’ Eerken stootte Lysken aan en wees. ‘Daar heeft de toverse haren uit de vacht getrokken voor de toverzalf.’ Bij het woord toverse loerde ze Heylkens kant op. ‘Het was vast háár moeder.’
‘Of die akelige vriendin van haar, Jenneken de toverkol,’ bedacht Lysken.
Heylken negeerde hun gemene praatjes en keek nog eens goed naar de vacht van het voorste beest. Werd er toverzalf gemaakt met hun haren? Kregen ze daar die kale plekken van?
‘Beste mensen van Soerendonk,’ begon de pastoor, ‘het kwaad waart onder u rond. En het kwaad heeft het op deze vrome boer, Jan Leemans, gemunt. Wij laten het kwaad niet winnen. Wij zullen deze koeien onttoveren en de duivel verjagen!’
De pastoor sloeg een kruis en iedereen deed hem na. Daarna pakte hij het kruisje dat om zijn hals hing en hield het als een schild voor zich. Met zijn andere hand wenkte hij de menigte om hem te volgen. Hij liep in een grote cirkel om de koeien heen en prevelde: ‘Ik onttover jullie in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’
Heylken liep met de dorpelingen mee en herhaalde net als iedereen de heilige woorden. Ze leken van steeds dieper uit haar borst te komen. Daar, in haar hart, voelde ze de kracht van God. Die leek haar bijna gewichtloos te maken, alsof zij een van Zijn engelen was. En ze waren met zoveel, daar was de duivel niet tegen bestand. Keer op keer weerklonken de krachtige woorden: ‘In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’
Na het derde rondje begonnen de koeien klaaglijk te loeien.
‘Dat is de duivel,’ zei de pastoor met een vuist in de lucht. ‘Hij probeert zich nu wanhopig vast te houden aan die arme beesten.’ De zweetdruppels vlogen van zijn neus. ‘Bid met mij mee!’ En hij vuurde de woorden van het Onzevader af op het kwaad dat zich in de koeien verscholen had.
Verbeten bad Heylken mee. Ze bleven lopen en bidden en kruistekens slaan, tot een van de koeien een verstikt geluid maakte.
Meteen was iedereen stil. Een zweetdruppel kriebelde, maar Heylken durfde hem niet weg te vegen. De duivel voelde heel dichtbij, één beweging en hij zou zijn aandacht op haar richten. Met gekromde vingers maakte de pastoor bezwerende bewegingen richting de koeien. En toen slaakte hij een diepe zucht. ‘Het kwaad is overwonnen!’
Boer Leemans greep de handen van de pastoor. ‘Duizendmaal dank.’
De dorpelingen sloegen elkaar en de boer op de schouders, terwijl Heylken bemoedigend naar de beesten knikte. Het komt goed, jullie zijn veilig.
‘Hebben we toch mooi met elkaar het kwaad verjaagd,’ zei de herbergier.
‘Maar waar kwam het vandaan? Wie heeft deze koeien betoverd?’ vroeg de man naast hem.
De mensen begonnen om zich heen te kijken. De opgewekte blikken veranderden in wantrouwige. Het kwaad kon overal zijn, daar waarschuwde de pastoor iedere zondag voor.
Er werden namen gefluisterd. ‘Margriet Brycken,’ zei Vreys Ardt hardop. Hoewel Heylken wist dat haar moeder en Vreys al jaren ruzie hadden, huiverde ze. De kracht die ze zojuist gevoeld had, werd weggebrand door de achterdochtige blik die Vreys op haar wierp.
Vlammende ogen. De vlas! Hoe kon ze die nou vergeten? Moeder zou woedend zijn!
Heylken haastte zich weg, opgejaagd door een snerpende stem in haar hoofd: ‘Lui kind!’ Maar ze werd ook aangespoord door de brandende blikken op haar rug. Alsof zíj de duivel was die wegvluchtte.

heks